overnemen

Dutch

Etymology

From over (over) + namen (to take).

Pronunciation

  • (file)

Verb

overnemen

  1. to take over

Inflection

Inflection of overnemen (strong class 4, separable)
infinitive overnemen
past singular nam over
past participle overgenomen
infinitive overnemen
gerund overnemen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular neem over nam over overneem overnam
2nd person sing. (jij) neemt over nam over overneemt overnam
2nd person sing. (u) neemt over nam over overneemt overnam
2nd person sing. (gij) neemt over naamt over overneemt overnaamt
3rd person singular neemt over nam over overneemt overnam
plural nemen over namen over overnemen overnamen
subjunctive sing.1 neme over name over overneme overname
subjunctive plur.1 nemen over namen over overnemen overnamen
imperative sing. neem over
imperative plur.1 neemt over
participles overnemend overgenomen
1) Archaic.

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.