opdoemen

Dutch

Pronunciation

  • (file)

Verb

opdoemen

  1. to appear out of nowhere

Inflection

Inflection of opdoemen (weak, separable)
infinitive opdoemen
past singular doemde op
past participle opgedoemd
infinitive opdoemen
gerund opdoemen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular doem op doemde op opdoem opdoemde
2nd person sing. (jij) doemt op doemde op opdoemt opdoemde
2nd person sing. (u) doemt op doemde op opdoemt opdoemde
2nd person sing. (gij) doemt op doemde op opdoemt opdoemde
3rd person singular doemt op doemde op opdoemt opdoemde
plural doemen op doemden op opdoemen opdoemden
subjunctive sing.1 doeme op doemde op opdoeme opdoemde
subjunctive plur.1 doemen op doemden op opdoemen opdoemden
imperative sing. doem op
imperative plur.1 doemt op
participles opdoemend opgedoemd
1) Archaic.
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.