doorstrepen

Dutch

Etymology

From door + strepen.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈdoːrstreːpə(n)/
  • (file)

Verb

doorstrepen

  1. (transitive) to strike, to put a line through (so as to delete)

Inflection

Inflection of doorstrepen (weak, separable)
infinitive doorstrepen
past singular streepte door
past participle doorgestreept
infinitive doorstrepen
gerund doorstrepen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular streep door streepte door doorstreep doorstreepte
2nd person sing. (jij) streept door streepte door doorstreept doorstreepte
2nd person sing. (u) streept door streepte door doorstreept doorstreepte
2nd person sing. (gij) streept door streepte door doorstreept doorstreepte
3rd person singular streept door streepte door doorstreept doorstreepte
plural strepen door streepten door doorstrepen doorstreepten
subjunctive sing.1 strepe door streepte door doorstrepe doorstreepte
subjunctive plur.1 strepen door streepten door doorstrepen doorstreepten
imperative sing. streep door
imperative plur.1 streept door
participles doorstrepend doorgestreept
1) Archaic.
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.