doorprikken

Dutch

Etymology

From door + prikken.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈdoːrprɪkə(n)/
  • (file)

Verb

doorprikken

  1. (transitive) to puncture
  2. (transitive) to expose as false

Inflection

Inflection of doorprikken (weak, separable)
infinitive doorprikken
past singular prikte door
past participle doorgeprikt
infinitive doorprikken
gerund doorprikken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular prik door prikte door doorprik doorprikte
2nd person sing. (jij) prikt door prikte door doorprikt doorprikte
2nd person sing. (u) prikt door prikte door doorprikt doorprikte
2nd person sing. (gij) prikt door prikte door doorprikt doorprikte
3rd person singular prikt door prikte door doorprikt doorprikte
plural prikken door prikten door doorprikken doorprikten
subjunctive sing.1 prikke door prikte door doorprikke doorprikte
subjunctive plur.1 prikken door prikten door doorprikken doorprikten
imperative sing. prik door
imperative plur.1 prikt door
participles doorprikkend doorgeprikt
1) Archaic.

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.