beenbreker
Dutch
Etymology
Pronunciation
- IPA(key): /ˈbeːnˌbreː.kər/
-
Audio (file) - Hyphenation: been‧bre‧ker
Noun
beenbreker m (plural beenbrekers, diminutive beenbrekertje n)
- (archaic) sea eagle
- 1660, John Honston, DR. Ionstons Beſchrijving vande Natuur der Vogelen, neffens haar Beeldeniſſen in koper geſneden, tr. by M Grausius from Latin, publ. by I. I. Schipper, page 13.
- Dit ſchijnt de waarheid t'onder ſchryven : Maar nochtans wijl de Arend‚en Beenbrekers, en Gieren, gelijk uit Ariſtoteles en Plinius blijkt, ſich met elkander vermenghen : kander lichtlijk uit vogelen van verſcheide gedaanten, een derde , en die onvrughtbaar, gelijk uit een Merry,en Eſel de muil, voort geteelt werden, welke om de gelijkheid mette Gieren, groter dan de Arenden eer onder d'andere plaats gegeven werd.
- 1811 December 27, H. Kluit, "Bylage tot het berigt wegens eene Fransche Grammatica", in Algemeene konst- en letterbode, page 412 (italics original, emphasis added).
- De Beenbreker heet in 't Fransch l'Osſifrague, of le grand aigle de mer.
- 1660, John Honston, DR. Ionstons Beſchrijving vande Natuur der Vogelen, neffens haar Beeldeniſſen in koper geſneden, tr. by M Grausius from Latin, publ. by I. I. Schipper, page 13.
Synonyms
This article is issued from
Wiktionary.
The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike.
Additional terms may apply for the media files.