aanschreeuwen

Dutch

Etymology

From aan + schreeuwen.

Verb

aanschreeuwen

  1. (intransitive) to shout on, to persist with shouting
  2. (transitive) to shout at, to address by shouting

Inflection

Inflection of aanschreeuwen (weak, separable)
infinitive aanschreeuwen
past singular schreeuwde aan
past participle aangeschreeuwd
infinitive aanschreeuwen
gerund aanschreeuwen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular schreeuw aan schreeuwde aan aanschreeuw aanschreeuwde
2nd person sing. (jij) schreeuwt aan schreeuwde aan aanschreeuwt aanschreeuwde
2nd person sing. (u) schreeuwt aan schreeuwde aan aanschreeuwt aanschreeuwde
2nd person sing. (gij) schreeuwt aan schreeuwde aan aanschreeuwt aanschreeuwde
3rd person singular schreeuwt aan schreeuwde aan aanschreeuwt aanschreeuwde
plural schreeuwen aan schreeuwden aan aanschreeuwen aanschreeuwden
subjunctive sing.1 schreeuwe aan schreeuwde aan aanschreeuwe aanschreeuwde
subjunctive plur.1 schreeuwen aan schreeuwden aan aanschreeuwen aanschreeuwden
imperative sing. schreeuw aan
imperative plur.1 schreeuwt aan
participles aanschreeuwend aangeschreeuwd
1) Archaic.
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.