aankleden

Dutch

Etymology

From aan + kleden.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈaːŋkleːdə(n)/
  • (file)

Verb

aankleden

  1. (transitive) to dress, put clothing on someone or something
    Welke idioot heeft de kat aangekleed?
    What idiot put clothes on the cat?
  2. (reflexive) to get dressed, put clothes on oneself
    Haastig kleedde hij zich aan zodra hij iemand hoorde naderen.
    Hastily he got dressed as soon as he heard someone approaching.
  3. (transitive) to furnish with textile, furniture, decorations etc.
    Het vergt goede smaak om een fraaie kamer stijlvol aan te kleden.
    It takes good taste to furnish a nice room stylishly.
  4. (transitive, figuratively) to dress up, present with embellishments, excuses etc.
    Kleed het aan zoals je wil, daarvoor zal pa je vel willen!
    Dress it up all you want, dad will have your hide for that!

Inflection

Inflection of aankleden (weak, separable)
infinitive aankleden
past singular kleedde aan
past participle aangekleed
infinitive aankleden
gerund aankleden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kleed aankleedde aanaankleedaankleedde
2nd person sing. (jij) kleedt aankleedde aanaankleedtaankleedde
2nd person sing. (u) kleedt aankleedde aanaankleedtaankleedde
2nd person sing. (gij) kleedt aankleedde aanaankleedtaankleedde
3rd person singular kleedt aankleedde aanaankleedtaankleedde
plural kleden aankleedden aanaankledenaankleedden
subjunctive sing.1 klede aankleedde aanaankledeaankleedde
subjunctive plur.1 kleden aankleedden aanaankledenaankleedden
imperative sing. kleed aan
imperative plur.1 kleedt aan
participles aankledendaangekleed
1) Archaic.

Antonyms

Derived terms

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.