aanklagen

Dutch

Etymology

From aan + klagen.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈaːŋklaːɣə(n)/
  • (file)

Verb

aanklagen

  1. (transitive) to denounce, accuse, indict, sue

Inflection

Inflection of aanklagen (weak, separable)
infinitive aanklagen
past singular klaagde aan
past participle aangeklaagd
infinitive aanklagen
gerund aanklagen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular klaag aan klaagde aan aanklaag aanklaagde
2nd person sing. (jij) klaagt aan klaagde aan aanklaagt aanklaagde
2nd person sing. (u) klaagt aan klaagde aan aanklaagt aanklaagde
2nd person sing. (gij) klaagt aan klaagde aan aanklaagt aanklaagde
3rd person singular klaagt aan klaagde aan aanklaagt aanklaagde
plural klagen aan klaagden aan aanklagen aanklaagden
subjunctive sing.1 klage aan klaagde aan aanklage aanklaagde
subjunctive plur.1 klagen aan klaagden aan aanklagen aanklaagden
imperative sing. klaag aan
imperative plur.1 klaagt aan
participles aanklagend aangeklaagd
1) Archaic.

Derived terms

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.