aanbieden

Dutch

Etymology

From aan + bieden.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈaːmbidə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: aan‧bie‧den

Verb

aanbieden

  1. (transitive) to offer

Inflection

Inflection of aanbieden (strong class 2, separable)
infinitive aanbieden
past singular bood aan
past participle aangeboden
infinitive aanbieden
gerund aanbieden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular bied aan bood aan aanbied aanbood
2nd person sing. (jij) biedt aan bood aan aanbiedt aanbood
2nd person sing. (u) biedt aan bood aan aanbiedt aanbood
2nd person sing. (gij) biedt aan boodt aan aanbiedt aanboodt
3rd person singular biedt aan bood aan aanbiedt aanbood
plural bieden aan boden aan aanbieden aanboden
subjunctive sing.1 biede aan bode aan aanbiede aanbode
subjunctive plur.1 bieden aan boden aan aanbieden aanboden
imperative sing. bied aan
imperative plur.1 biedt aan
participles aanbiedend aangeboden
1) Archaic.

Derived terms

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.