openbaar

Dutch

Etymology

openen + -baar

Pronunciation

  • (file)

Adjective

openbaar (comparative openbaarder, superlative openbaarst)

  1. public
  2. non-affiliated (e.g. neither Catholic, Protestant, nor socialist)

Inflection

Inflection of openbaar
uninflected openbaar
inflected openbare
comparative openbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial openbaar openbaarder het openbaarst
het openbaarste
indefinite m./f. sing. openbare openbaardere openbaarste
n. sing. openbaar openbaarder openbaarste
plural openbare openbaardere openbaarste
definite openbare openbaardere openbaarste
partitive openbaars openbaarders

Derived terms

Verb

openbaar

  1. first-person singular present indicative of openbaren
  2. imperative of openbaren
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.