einder
Dutch
Etymology
Shortening of gezichteinder.
Pronunciation
-
Audio (file)
Noun
einder m (plural einders, diminutive eindertje n)
- (formal, literary) horizon
- 1936, Hendrik Marsman, Herinnering aan Holland.
- Denkend aan Holland / zie ik breede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan,
- rijen ondenkbaar / ijle populieren / als hooge pluimen / aan den einder staan;
- 1995, Johannes Hartog, Het Oude Fort van Aruba: de geschiedenis van het Fort Zoutman en de Toren, Van Gorcum, 23.
- Toen men de Surprise, een groot oorlogsfregat, een driemaster, aan de einder zag opdagen, veroorzaakte dit op ons eiland de nodige onrust, want Engeland en Nederland waren in oorlog,
- 1936, Hendrik Marsman, Herinnering aan Holland.
This article is issued from
Wiktionary.
The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike.
Additional terms may apply for the media files.