bevaarbaar

Dutch

Etymology

be- + varen + -baar

Pronunciation

  • (file)

Adjective

bevaarbaar (comparative bevaarbaarder, superlative bevaarbaarst)

  1. navigable

Inflection

Inflection of bevaarbaar
uninflected bevaarbaar
inflected bevaarbare
comparative bevaarbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial bevaarbaar bevaarbaarder het bevaarbaarst
het bevaarbaarste
indefinite m./f. sing. bevaarbare bevaarbaardere bevaarbaarste
n. sing. bevaarbaar bevaarbaarder bevaarbaarste
plural bevaarbare bevaarbaardere bevaarbaarste
definite bevaarbare bevaarbaardere bevaarbaarste
partitive bevaarbaars bevaarbaarders
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.