appelblauwzeegroen

Dutch

Etymology

From a mix of the components of the compounds appelgroen (apple-green) (a compound of appel (apple) + groen (green)) and zeeblauw (sea-blue) (a compound of zee (sea) + blauw (blue)).

Adjective

appelblauwzeegroen (comparative appelblauwzeegroener, superlative appelblauwzeegroenst)

  1. (Belgium) blue green

Inflection

Inflection of appelblauwzeegroen
uninflected appelblauwzeegroen
inflected appelblauwzeegroene
comparative appelblauwzeegroener
positive comparative superlative
predicative/adverbial appelblauwzeegroen appelblauwzeegroener het appelblauwzeegroenst
het appelblauwzeegroenste
indefinite m./f. sing. appelblauwzeegroene appelblauwzeegroenere appelblauwzeegroenste
n. sing. appelblauwzeegroen appelblauwzeegroener appelblauwzeegroenste
plural appelblauwzeegroene appelblauwzeegroenere appelblauwzeegroenste
definite appelblauwzeegroene appelblauwzeegroenere appelblauwzeegroenste
partitive appelblauwzeegroens appelblauwzeegroeners

Synonyms

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.